Box 3 aanpassingen: een stap in de goede richting

In de Kamerbrief van 6 september 2019 stuurde de Staatssecretaris van Financiën de hoofdlijnen van een voorgenomen aanpassing van box 3 per 1 januari 2022. Gelet op de massaalbezwaarprocedure tegen de box 3-heffing is het voorstel op een belangrijk moment aangekondigd. De kans dat de Hoge Raad de huidige box 3 heffing onaanvaardbaar zal achten, wordt met dit voorstel en de aanpassingen die reeds per 1 januari 2017 zijn doorgevoerd geminimaliseerd. Hierna gaan wij nader in op dit aangekondigde wetsvoorstel.

Richtinggevende plannen van de Staatssecretaris van Financiën

Het voorstel van de Staatssecretaris komt belastingplichtigen met vooral of uitsluitend spaargeld tegemoet. De maatschappelijke commotie rondom deze groep belastingplichtigen was en is namelijk groot. Een forfaitaire heffing slechts omwille van eenvoud en een stabiele belastingopbrengst, is in het huidige tijdsbestek niet meer uit te leggen. Zeker niet aan spaarders die meer dan 100% aan box 3 heffing betalen over hun spaarinkomsten. Zo bleek ook uit een procedure waarin de Hoge Raad op 14 juni 2019 (ECLI:NL:HR:2019:816) een oordeel heeft geveld. Verder blijkt uit het wetsvoorstel dat mensen die lenen om te beleggen in box 3 zwaarder worden belast. Uit de praktijk is gebleken dat er vermogende particulieren zijn die hoge rendementen halen op hun aandelen en onroerend goed, terwijl zij voor slechts een fractie daarvan in de forfaitaire vermogensrendementsheffing worden belast.

Spaarders

Het voorstel komt, zoals hierboven aangegeven, vooral belastingplichtigen met of uitsluitend spaargeld tegemoet. Uit voorlopige berekeningen blijkt dat het aantal belastingplichtigen in box 3 flink afneemt met circa 1,35 miljoen. Op dit moment betalen nog 2,9 miljoen mensen deze belasting. Dit komt vooral doordat belastingplichtigen met uitsluitend spaargeld geen belasting meer zullen betalen over de eerste € 440.000. Hun forfaitaire inkomen wordt gesteld op de gemiddelde werkelijke spaarrente van 0,09%. Er komt in box 3 een heffingsvrij inkomen van EUR 400 per fiscaal partner. Dit betekent dat met een spaarrendement van 0,09%, iemand met uitsluitend spaarvermogen geen box 3-heffing verschuldigd is tot aan een vermogen van € 440.000 per fiscaal partner. Het belastbaar inkomen in box 3 wordt in het voorstel belast tegen een hoger tarief van 33%. Thans geldt nog een tarief van 30%.

Overige beleggingen

Het forfaitaire rendement wordt voor andere beleggingen dan spaargeld ook gesteld op het gemiddelde feitelijke rendement. In het voorstel wordt het forfaitaire rendement op de ‘waarde overige bezittingen’ gesteld op 5,3%. Het kan dan om verschillende vermogenssoorten gaan, zoals aandelen, obligaties, een tweede woning, een vakantiehuisje of een beleggingspand. Het werkelijke rendement op deze overige beleggingen doet derhalve niet ter zake. Dit betekent dat beleggers die forse rendementen boven de 5,3% blijven behalen, box 3 nog steeds een aantrekkelijke box gaan blijven vinden.

Tegengaan arbitrage

Het is duidelijk dat door dit nieuwe voorgestelde systeem ontgaansmogelijkheden op de loer liggen. Doordat het inkomen uit beleggen in het voorstel wordt belast tegen een forfaitair rendement dat beduidend hoger ligt dan het spaarrendement kan een belastingplichtige zijn liquide beleggingen rond de peildatum tijdelijk omzetten in spaargeld om zo een fiscaal voordeel te behalen. Een belastingplichtige kan namelijk het hele jaar meeprofiteren van het aandelenrendement om vervolgens rond het jaareinde alles in spaargeld om te zetten en slechts voor het lage forfaitaire spaarrendement te worden belast. In het voorstel is namelijk de vermogenssamenstelling op 1 januari bepalend en met wijzigen in de loop van het jaar wordt dan geen rekening gehouden. Er is onderzocht hoe deze ontgaansmogelijkheden kunnen worden tegengegaan. Voorgesteld is om een zogenoemde ‘peildatumarbitragesystematiek’ in te voeren. Peildatumarbitrage wordt dan als volgt tegengegaan.

De individuele vermogensmix van het spaar- en beleggingsvermogen
wordt bepaald op de huidige peildatum (1 januari).
Peildatumarbitrage tussen de twee vermogenscategorieën wordt
tegengegaan door anti-arbitragemaatregelen.
Bijvoorbeeld een toets of een tijdelijke overheveling van beleggingsvermogen naar spaarvermogen leidt tot een relatieve of absolute stijging (en daarna weer afname) van het spaarvermogen. De arbitrageregeling dient nog nader te worden uitgewerkt.

Financieringskeuze

Beleggingen in aandelen en vastgoed is met de huidige lage rente financieel vaak gunstig met geleend geld. De rendementen op deze vermogenssoorten liggen momenteel hoger dan het thans veronderstelde rendement. Beleggen met geleend geld wil de wetgever tegengaan. In het wetsvoorstel is bepaald om leningen tegen een afzonderlijk forfaitair rendement in aanmerking te nemen. Het forfaitaire rendement is gebaseerd op de gemiddelde hypotheekrente van het voorgaande jaar en bedraagt 3,03%. Het forfaitaire rendement op de ‘overige bezittingen’ bedraagt 5,33%. Iemand met een beleggingsportefeuille van 2 miljoen, en een jaarrendement van 6%, die dat heeft gefinancierd met een lening van 2 miljoen tegen 5%, heeft een economisch rendement na aftrek van de financieringslasten van € 20.000. In box 3 wordt dan echter een forfaitair rendement van € 46.000 belast, meer dan het werkelijke rendement. Beleggen met geleend geld wordt hierdoor nadeliger.

Slotsom

Het voorstel komt vooral spaarders tegemoet. Voor andere beleggingsvormen is dat zeker niet het geval. Het forfaitaire rendement van 5,03% is een fictie die afwijkt van het werkelijke rendement en kan al naar gelang de omstandigheden zowel voor- als nadelig uitpakken voor de belegger. Met name voor succesvolle beleggers die hoge rendementen behalen is en blijft de box 3 heffing gunstig, ook met de aangekondigde wijzigingen in het voorstel. Desalniettemin zal wel vaker moet worden nagedacht over de financieringskeuze van beleggingen gezien de ongunstige behandeling van leningen.

Auteur: mr. O. (Okjen) Bajovic

Bron: Redactie FiscaalTotaal